Trans-Mongolië Express: De laatste dag


Al vroeg in de ochtend waren we weer wakker. Ik was inmiddels 29 jaar oud geworden, hoewel ik in eigen land (lees: Nederland) nog niet jarig was. Ik zou dus, met het tijdsverschil, een verjaardag van 31 uur vieren.
Voor iemand die met het verstrijken van de jaren steeds minder uitkijkt naar alweer een verjaardag, leek dit in eerste instantie dus een dag waarop zaken nodeloos verlengd zouden worden.
We maakten gretig gebruik van het ontbijtbuffet dat door het hotel werd aangeboden. We stapten de eetruimte binnen, ook deze was geheel in de Chinese stijl ingericht, en zagen geen enkele Chinees. Er waren alleen maar Amerikaanse studenten aanwezig wat ik ergens wel een teleurstelling vond, want om onverklaarbare redenen zijn Amerikaanse toeristen voor mij een symbool van cultuurvernietiging.
In pa vond ik een medestander, waardoor we al snel onder het genot van vers fruit, geroosterd brood en een slappe koffie de andere hotelgasten bekritiseerden.
“Hoor je zijn accent? Zo overdreven hoe ze praten.”
“Ja, en iedere zin bevat minstens drie keer het woord ‘like’. I was, like, oh my God, and she was, like, I know.”
Toen we uit de eetruimte liepen stond onze chauffeur al te wachten. We checkten uit, en via een van de talloze ringwegen in en om Beijing leidde de chauffeur ons naar het vliegveld.
We waren als een van de eersten om in te checken voor onze vlucht en die mogelijkheid greep pa direct aan om te informeren of het mogelijk was om mij op te waarderen. De jongen achter de balie typte wat, belde even en akkoord gaande met de voorwaarde dat ik me eerst moest inschrijven voor de Flying Blue club, mocht ik ook in de businessclass.
Toen we de bij de elite horende businesslounge inliepen, wist ik zeker dat dit een geweldige verjaardag zou gaan worden. Gratis eten, drinken, internet, alcohol. Ik kon me als Westerlingen laven aan alle luxe die ik maar bedenken kon.
Dus wat deed ik, de tegendraadse eigenheimer die ik ben? Ik vergreep me aan de kranten en tijdschriften, en laadde zoveel mogelijk in mijn rugzak. Van de China Daily tot aan de Newsweek, van USA Today tot aan een of ander, mij onbekend, financieel tijdschrift dat vrolijk verkondigde dat in 2012 beleggen u toch echt aan de economische malaise kon onttrekken.
Hoewel ik geen enkel budget heb voor beleggingen, ging ook dit blad direct mee het vliegtuig.
Bij het inchecken mochten we net als bij de heenreis weer voordringen. Het gewone volk had maar te wachten op ons. Had ik tussen het gepeupel gestaan, dan had ik pa en mijzelf doodgestaard. Maar nu liet ik me geen enkele mogelijkheid ontzeggen om optimaal te gaan genieten van mijn laatste verjaardag waarbij het eerste getal van mijn nieuwe leeftijd een twee bevatte.
Toen we de businessclass binnen liepen in het vliegtuig, viel mijn mond open. Ik heb mijn leven lang gereisd met de economyclass, en heb daar afgezien van het ruimtegebrek voor mijn lange benen eigenlijk nauwelijks moeite mee gehad.
Maar toen ik besefte in wat voor luxe de elite reisde, zag ik in dat het uiterst noodzakelijk zou zijn dat ik voortaan iedere ticket zou opwaarderen naar de businessclass.
Iedere reiziger had zijn eigen stoel met arm leuningen. Uit de linkerarmleuning kon ik televisiescherm klappen. Via dit scherm kreeg ik de mogelijkheid gedurende de hele reis mijn eigen films, series en muziek te kiezen.
In de rechterarmleuning zat een tafelblad verborgen. Ik kon mijn benen volledig strekken, en dan nog raakte ik de stoel voor mij niet.
De stoel had drie voorgeprogrammeerde standen: de zit-rechtop-stand, de lig-stand en een stand die half tussen twee voorgenoemde zat. Maar het was ook mogelijk om handmatig de stoel in iedere gewenste positie te zetten.
Er zat een knopje op dat ik niet direct thuis kon brengen, met een M erop. Toen ik erop drukte waande ik me even in een Thaise massagesalon. Zachtjes en met intervallen masseerde mijn stoel mij tot een ultiem rustmoment.
We vertrokken met een uur vertraging, maar ik kon niet zeggen dat ik daarmee zat. De stewardess had even voor vertrek allerlei tijdschriften en kranten gratis aangeboden, en voor de tweede keer die dag stampte ik mijn rugzak zo vol mogelijk.
Mijn uiterlijk was op dit punt van de reis behoorlijk gehavend. Ik had me slechts een keer geschoren en de stoppels waren enkele dagen geleden weer naar buiten gekomen om iets van de wereld te zien. Daarbij droeg ik stevige schoenen die veel weg hadden van werkschoenen met een stalen neus. Ik droeg een broek die ik de twee dagen daarvoor ook al had gedragen en ik had mijn outfit voor de dag afgemaakt met mijn niet zo florissante, maar als een tweede huid om mijn lichaam passende hoody.
Ik voelde me even ongemakkelijk tussen het zakenvolk, maar al snel paste ik me helemaal aan. Ik waste mijn voeten op het toilet, waar vier verschillende Rituals flacons me uitnodigden om mijzelf een flink te schrobben, en terugkeert in mijn stoel trok ik mijn schoenen uit.
Ik heb tijdens de vlucht vier films gezien. Twee daarvan, Rise of the Planet of the Apes en Super 8 had ik al gezien, maar vond ik goed genoeg om nog eens te kijken. Of beter gezegd: het overige aanbod voldeed niet aan de filmeisen die ik doorgaans stel. De andere twee, Midnight in Paris (fan-tas-tische film weer van Woody Allen) en The Hangover II (een draak van een film die ik eenieder aanraad over te slaan) zorgden dat ik bijna acht uur van de reistijd afhaalde.
Pa had me voordat we in het vliegtuig gingen al benadrukt dat ik tegen de stewardess nonchalant moest laten weten dat ik jarig was. Maar ik ben niet uit dat hout gesneden, hoeveel voordelen of plezier ik daar ook uit zou halen. Maar pa liet zich niet kisten, en voor ik het wist kregen ik twee felicitaties, een gratis drankje en ook nog eens een goodybag met daarin zes kleine flesjes sterke drank, twee rollen mentos, een mars en een snicker (Waarvoor ik de KLM en haar medewerkers nog maar eens hartelijk wil bedanken).
“Maar wel pas thuis opdrinken, he!”, zei de stewardess nadat ik haar had verteld dat ik, afgezien van deze reis, geheelonthouder ben.
Het weer in Amsterdam was behoorlijk onstuimig en de piloot was gedwongen om eerst nog een rondje te vliegen voordat hij de landing kon inzetten.
De vlieglijn op het televisiescherm toonde dat de piloot een flinke bocht maakte waarbij nog even Flevoland voorbij zagen schieten.
In de ferme wind zette de piloot de daling in en op wat schokken en schommelen na plaatste hij het toestel perfect met de wielen aan de grond.
We hadden het gered.
Bij het wachten op de koffers zagen we ons beider partners met de neuzen tegen het glas gedrukt naar ons kijken. Ze zwaaiden met zelfgemaakte welkomstborden en Iwi had een ballon voor mijn verjaardag in haar handen. Het was inmiddels half vijf, en ik had nog 7,5 uur aan verjaardag te gaan.
Bij de douane, we hadden uiteraard niets aan te geven, werd ik en niet pa uit de lijn van aankomende bezoekers gepikt. Achteraf bezien was dat wel het beste, want pa had zijn koffer volgestopt met volkomen legale producten die te allen tijde mogen worden ingevoerd. Knipoog.
Met de Uggs die pa voor mijn vriendin had gekocht wist de douanebeambte direct hoe laat het was. Maar verder had ik, op een t-shirt met Chinese tekst na, niets aan te geven. Nog even werden de schoenen die ik in Polen had gekocht aan een serieuze inspectie onderworpen, waarna ik door mocht lopen.
Met een van de meest memorabele verjaardagen ooit sloot ik de meest memorabele vakantie uit mijn leven af.

En toch, af en toe, als ik alleen op bed lig, mis ik toch nog een beetje het schokken van de trein. Ik mis de lokale bevolking die probeert ons in onbekende kreten voedsel te verkopen. Ik mis de vervuiling van Ulaan Baatar. Ik mis de warmte van de mensen die vaak geen cent te makken hebben, maar die de lege plaats van het geld in hun hart hebben gevuld met liefde.
En dan bedenk ik me dat er nog een treinreis is, nog extremer en verder en dieper in onbekend terrein dan deze die we hebben gedaan.
De toekomst zal het ons leren of we het tot aan Tibet gaan halen.

Advertenties

Trans-Mongolië Express: treinreis Beijing dag 2


Hoewel de kwaliteit van de Chinese trein ten opzichte van de Russische in het algemeen vele malen beter was, merkte pa al snel dat de kwaliteit van de bedden geenszins verbeterd was.
We werden ’s ochtends al vroeg wakker en eigenlijk waren we vanaf dat moment al aan het aftellen.
Gek genoeg leek het landschap, zo merkten we ook direct bij het binnenrijden van China de vorige avond, direct te veranderen toen we in China waren. Er leek minder sneeuw te liggen en we kregen de indruk dat de armoede zoals we die zagen in Mongolië langs het spoor in China niet of nauwelijks voorkwam.
Iedereen in de trein was rusteloos, getuige de vele keren dat vrijwel alle inzittenden van de eerste klas verlangend uit het raam stonden te kijken.
Het landschap was bezaaid met kloven van ongeveer tien a vijftien meter diep. Maar ze waren niet natuurlijk gevormd; het was evident dat dit door mensen was uitgegraven.
Hoe dichter we bij Beijing kwamen, hoe meer we zagen dat de Chinese economie ook een huizenmarktbubbel zou krijgen. Was het niet in de nabije toekomst, dan toch zeker binnen drie tot vijf jaar. Want overal werd gebouwd.
We reden langs flatgebouwen van meer dan honderd meter hoog die net waren afgeleverd maar waar nog niemand in woonde. En het volgende moment zagen we nog eens vijftien flatgebouwen opgericht worden die minstens zo ver de hoogte in gingen als de vorige.
Alle indrukken leiden tot het doorsijpelen van het besef van hoogmoed, van onwrikbaar geloof in het eigen kunnen.
Want waarom zoveel bouwen als er nog zoveel leegstaat?
Beijing is qua oppervlakte een van de grootste steden van China. Qua inwoneraantallen blijft het achter bij andere grote steden, maar Beijing kenmerkt zich door een enorme uitgestrektheid, zowel in de stad als in de buitenwijken.
Ongeveer een uur voordat we Beijing daadwerkelijk binnenreden zagen we de buitenwijken al voorbij glijden.
Het begon arm, maar hoe dichter we het centrum van de stad naderden, hoe rijker en exorbitanter het werd.
Ik heb minstens twaalf wegen geteld die simpelweg doodliepen; men had op een gegeven moment besloten gewoon niet meer verder te bouwen.
Het was te hopen dat de Chinese regering dit ook zou toepassen op de huizenmarkt.
Ongeveer een half uur voor aankomst zagen we het ene na het andere flatgebouw voorbij komen. Zelfs in een stad waar de ruimte nou niet bepaald schaars is, gaat men zo hoog mogelijk de lucht in.
Tijdens ons vorige bezoek aan Beijing, in oktober 2009, konden we goed merken dat de lucht vervuild was. De smog was toentertijd duidelijk zichtbaar en iets minder duidelijk proefbaar. En er was te merken dat Beijing in oktober weer last had van de zandstormen die kwamen opzetten, ondanks de maatregelen die de overheid had genomen om dit tegen te gaan (het planten van speciale bomen en struiken die het opgewaaide zand moeten opvangen en laten neervallen).
Ditmaal was er nauwelijks iets van de smog en de vervuiling te merken. Natuurlijk was het verkeer weer een chaos, natuurlijk reden er weer duizenden auto’s over een klein stukje weg in de stad, maar het zag er mijns inziens een stuk beter dan twee jaar terug.
We kwamen aan bij een enorm treinstation, dus uit enthousiasme pakte ik direct mijn jas, tas en koffer en maakte aanstalten om naar de uitgang te lopen.
Totdat pa mij er op attent maakte dat dit slechts het zuidelijke treinstation van Beijing was: Beijing South Central Station. Vanaf dit station vertrokken voornamelijk de hogesnelheidstreinen. We werden links en rechts voorbij gereden door lange, kogelvormige treinen met achter de ramen honderden Chinezen die met grote belangstelling naar onze trein keken.
We reden nog een kwartier verder, met af en toe een verlaagde snelheid. Zodoende kwamen we exact op vier over twee ’s middags aan op Beijing Central Station.
Ik had nog geen twee stappen op het perron gezet of onze taxichauffeur kwam met een grote glimlach waarachter enkele tanden ontbraken of scheef stonden op ons afgelopen.
We volgden hem naar de uitgang van het treinstation, waar we werden opgeslokt door een enorme mensenmassa. Zeker duizend Chinezen probeerden tegelijk met ons het treinstation te verlaten, terwijl er bij iedere uitgang een spoorwegfunctionaris stond die de kaartjes controleerden.
Bij de uitgang.
Onze taxichauffeur schreeuwde iets in het Chinees naar de functionaris, en de twee Westerlingen mochten zo doorlopen.
Buiten wachtte ons een nog veel groter mensenmassa. Mensen die op iemand stonden te wachten, die net uit de trein waren gekomen of die doelloos rondhingen. Het was er een enorme chaos.
Onze taxichauffeur, gewend aan deze taferelen, leidde ons vakkundig en behendig door de massa. En met minstens even zoveel gemak leidde hij zijn taxi de kleinste ringweg van Beijing op. We moesten helemaal een rondje op de ringweg maken om uiteindelijk voor het treinstation linksaf te slaan.
Ook in China zijn autobestuurders dolblij dat er een claxon op de auto zit; wederom werden voetgangers en fietsers als ware het een symfonie gewaarschuwd voor aankomend verkeer.
We reden het oude, nog bewaard gebleven stadsdeel van Beijing binnen, en daar sloeg de taxichauffeur af naar rechts. Hij reed een nauwe straat in waar de speling die hij aan weerszijden had nog geen 30 centimeter was. En dan heb ik het nog niet eens over de vele auto’s en fietsen die aan de zijkant van de weg geparkeerd stonden en die de speling nog eens met twintig centimeter verkleinde.
Na ongeveer honderd meter door de straat te hebben gereden stopte voor een klassieke Chinese ingang met geribbeld dak, zo eentje die lijkt alsof je een tempel ingaat.
Dat was ons hotel, Double Happiness.
We waren zeer verbaasd toen we binnen liepen. Het pand was meer dan 200 jaar oud, en was zover mogelijk in zijn originele staat behouden gebleven. Alles deed denken aan de Qing-dynastie, die topt 1911 zou regeren in China.
De bedden waren opgemaakt met prachtig gekleurde lakens en kussen. De bedden, de stoelen, de tafels en de kast waren prachtig bewerkt met Chinese invloeden. Er stonden oude theepotten en theekopjes in de kast. Naast de theekopjes stonden twee vazen met daarop de beeltenis van Moa Zedong.
Na het omkleden trokken we stad in om op zoek te gaan naar de dichtsbijzijnde markt waar we goedkope (namaak)producten konden kopen.
Toen we klaar waren liepen we de straat op. Tijdens het oversteken werd pa overvallen door drie oudere dames die portemonnees en sjaals verkochten. Na 163 keer nee te hebben gezegd, brak zijn verzet en kocht hij de hele voorraad van hen op.
We aten bij McDonalds, waar we moesten vechten om een plekje te bemachtigen.
Terug bij het hotel had een van de bedienden gezien dat ik morgen mijn verjaardag zou vieren. Ze had ook gezien dat pa en ik dezelfde achternaam hadden, maar ze bleef volhouden dat hij mijn broer was. Als ze weten waar het geld zit, weten ze ook waar de complimenten naartoe moeten.
Omdat ik morgen jarig was, kreeg een fles hele dure goedkope champagne aangeboden, die we nuttigden in de bar van het hotel. Omdat we er zin in hadden, en we de enige aanwezigen waren, gingen nadat de fles geleegd was direct door met jack&coke. En ze was niet voorzichtig met het inschenken.
Dus voor ik het wist zat pa te knikkebollen. Voor mijn vaste lezer: u weet dat met het knikkebollen zijn alcohol-waarschuwingssysteem was geactiveerd. Dus voor ik het wist deel twee lag ik om half negen op bed.
Ik viel vrij rap in slaap, en ik had het tot aan de ochtend kunnen volhouden, als pa niet door een hoestbui werd overvallen die zeker een kwartier aanhield.
Het was kwart voor twaalf, en pas vier uur later viel ik in slaap. Ik had dus maar drie uur om te slapen, voordat we zouden terugreizen naar Amsterdam, op een dag die uiteindelijk 31 uur zou duren.
Dat is tot nog toe mijn langste verjaardag ooit geweest.

Trans-Mongolië Express: treinreis Beijing dag 1


’s Ochtends om kwart over zeven vertrok de trein vanuit het vervuilde Ulaan Baatar richting Beijing, China. We stonden om zeven uur op het perron en we werden begroet door twee Chinese treinmedewerkers die strak in uniform gekleed waren.
Ze begroetten ons vriendelijk en begeleidden ons naar onze coupe. Ditmaal was de eerste klasse wel nagenoeg vol. Naast ons zat een Mongools stel. Daarnaast waren twee wereldreizigers uit Londen, hij een wazige, altijd een trainingsbroek dragende, afwezige jongeman en zij een met dreadlocks bezaaide hippie. Weer daarnaast zaten twee Amerikanen. Helaas hadden zij in hun leven geen enkele poging gedaan om vooroordelen over Amerikanen uit de wereld te hebben, want met name de vrouwelijke helft van het stel was moddervet.
Aan het einde van de wagon zat een Duitser. Hij reisde alleen, wat me deed wegdromen over een verkeerd geboekte seksvakantie.
Onze Nederlandse vrienden hadden we achtergelaten in Ulaan Baatar. Zij hadden nog zeker zes dagen te gaan waarin ze door hun vriend door heel Ulaan Baatar meegenomen werden. En een bruiloft Mongolian style, niet te vergeten.
De Chinese trein zag er stukken beter uit dan de Russische. De wanden en zelfs het plafond was keurig afgewerkt met glanzend hout. Er was tussen twee cabines, om de twee cabines, een douche geplaatst. En we hadden zowaar een stoel om op te zitten. Als we niet op het bed wilden zitten.
Een ander verschil was de locatie van het tweede bed. De Chinezen hadden besloten om de ruimte optimaal te benutten en hadden voor een stapelbed uitvoering gekozen.
Nodeloos om te melden wie er met zijn jonge lichaam boven in moest slapen.
We maakten het ons gemakkelijk in onze coupe en deden nog een klein schoonheidsslaapje om bij te komen van de korte nacht die achter ons lag.
Direct toen we op weg waren zagen we het landschap zienderogen veranderen. Eerst werd het vlakker, met enorme uitgestrekte vlaktes. ’s Zomers zou hier ongetwijfeld de woestijn al zichtbaar zijn.
Hoe meer we richting Beijing reden, hoe groter de vlaktes werden. De sneeuw leek het af te leggen tegen de eeuwige woestenij van de Gobi-woestijn.
Om het uur schoot in een flits een klein dorpje voorbij.
Ieder dorpje was echter niet vergeten dat de jeugd de toekomst heeft; in ieder dorpje, hoe klein of verlaten het ook leek, was een speeltuin geplaatst.
Het landschap veranderde na het middaguur steeds minder. We zagen dat er kleine bergen ontsproten aan moeder aarde, maar verder bleef alles hetzelfde.
We lazen nog maar een ibook, we dronken nog een thee en we luisterden naar muziek.
’s Avonds aten we, als verrassing voor u EN ons, noodles.
Die avond kwamen we aan in China. We zouden een totale wachttijd van ruim 3,5 uur hebben. Dit voornamelijk omdat de treinsporen in China smaller zijn dan de Mongoolse of de Russische. De paspoortcontrole duurde ongeveer een uur. Maar het lange wachten werd veroorzaakt door het hele proces dat we moesten doorlopen om van onderstel te wisselen.
Eerst werden alle wagons van elkaar losgekoppeld. We werden een voor een een hal ingeduwd. Wij stopten met onze wagon als laatste, met aan weerszijden twee palen. Minstens twintig Chinezen koppelden ons onderstel los, en wachtten daarna. Via de twee palen aan iedere kant werden er een soort metalen buizen onder de trein geschoven, die vervolgens de hele wagon omhoog tilden. Alle onderstellen werden door de Chinese onderstellen weggeduwd, totdat zij hun plaats hadden gevonden onder de desbetreffende wagons.
De werkers doken als een groep vogels op hun doel af en monteerden binnen enkele minuten ons onderstel.
Het hele schouwspel was een fantastische beleving. Hier werd duidelijk waarom de Chinezen ondanks de financiële crisis een land in opbouw blijven. De gestructureerde, eendrachtige samenwerking als ware zij één machine maakte dat ze deze klus binnen een uur geklaard hadden. Daarna was het wachten tot de tweede groep wagons een nieuw onderstel kreeg en ze alle wagons weer bij elkaar brachten en aaneen sloten.
We kregen onze paspoorten terug vlak na het wisselen van de onderstellen, en de Chinese vrouwelijke douanebeambte lachte lief.
We vielen als een blok in slaap na een lange, enerverende dag.
Morgenmiddag zouden we iets na twee uur aankomen op South Central Station in Beijing. Na wat we hadden gezien van de Chinese werkkracht en precisie, wisten we op voorhand al dat we daar geen minuut te laat aan zouden komen.

Trans-Mongolië Express: Ulaan Baatar dag 2


Zoals ook onze tweede dag in Moskou in het teken stond van het bezichtigen van de minder populaire trekpleister, zo trokken we ook op onze tweede dag in Ulaan Baatar er op uit om de ‘onbekende’ plekken van de stad te bezoeken.
We begonnen, zoals inmiddels traditie was geworden, onze ochtend in een postkantoor. Maar geheel in stijl liepen we via de achterkant van het hotel door een woonwijk die we anders nooit doorkruist zouden hebben.
Nadat we onze kaarten op de bus hadden gedaan, was de volgende stop het Nationaal Historisch museum van Ulaan Baatar.
De entree was een euro, het weghangen van twee jassen en een rugzak 1,25 euro.
We hadden het hele museum voor onszelf; er was niemand aanwezig.
Bij binnenkomst werd het niet meteen duidelijk vanwege de overweldigende hoeveelheid marmer in de hal en op de trappen, maar dit museum leek bij nader onderzoek vijftig jaar stil te hebben gestaan in de tijd. We wandelden binnen in een tijd waarin de Russen nog iets te zeggen hadden in Mongolië. De kozijnen van de deuren en de ramen waren nodig toe aan vervanging. Waar er nog verf op zat, was deze afgebladderd en klaar om de sprong naar de vloer of de vensterbank te maken.
Het kunststof zeil op de vloer was vastgeniet, maar dat nam niet weg dat op sommige plekken de vloer een halve meter omhoog krulde.
Veel van de landkaarten die in het museum hingen waren getekend of geschilderd. En aan de hoeveelheid kaarten en schilderijen was te zien dat er ongelooflijk veel manuren waren gestoken in het maken ervan.
Het rook naar een vervlogen tijd waaraan men naarstig vasthield in het museum.
Zo is er op de tweede verdieping een tentoonstelling te zien van alle Mongoolse mijlpalen in de recente geschiedenis van het land. Denk aan de eerste Mongool in de ruimte, de eerste Mongool op de Noordpool en de eerste Mongool op de Mount Everest.
Al die mijlpalen waren bereikt in samenwerking met de Russen. Daardoor kreeg ik het gevoel dat het museum een verdekte ode was aan de Russen, die toch ook de meest toonaangevende gebouwen in de jaren vijftig van de vorige eeuw in Ulaan Baatar hebben gebouwd.
We liepen van kamer naar kamer, van verdieping naar verdieping. In iedere kamer vonden we een stuk geschiedenis, waardoor we uiteindelijk in ruim een uur tijd van het begin van de aarde op de begane grond naar de recente geschiedenis op de bovenste verdieping liepen.
Er was, kortom, een gebouw ingericht als Nationaal Historisch museum, en slechts één kamer  bevatte de belangrijkste momenten uit de geschiedenis van Mongolië.
We verlieten het museum en sloegen af naar links en stapten naar binnen bij de eerste koffietent die we zagen. Het was geen Starbucks, maar de koffie werd geserveerd in kopjes van Starbucks. Zoals in iedere winkel, restaurant of coffeeshop in Azië hadden we ook hier gratis wifi.
We maakten contact met het thuisfront, namen foto’s van alles om ons heen en we gebruikten bijna twee uur om al het nieuws en de nieuwe applicaties te downloaden.
Toen we ons met moeite weer uit de stoelen hesen was het volgende plan al gesmeed. We zouden er een hele wolk van vervuiling en enkele drukke straten voor moeten trotseren, maar we moesten en zouden het enige vijf sterren hotel in Ulaan Baatar, het Chingiz Khan Hotel, gaan bekijken.
We passeerden de Chinese ambassade, die werd beveiligd en bewaakt alsof het om een stukje Noord-Korea ging. Ik probeerde te tellen hoeveel camera’s er hingen, maar ik raakte al gauw de tel kwijt. Er was een loopspoor in het gras aan de voorkant van de omheining, die duidde op veelvuldig patrouilleren.
We zagen het hotel in de verte opdoemen, maar er bleek nogal wat klim- en klauterwerk nodig te zijn om er te komen. We moesten een stadskanaal oversteken over een zeer glad en smal bruggetje.
Aan de achterkant van het hotel zat een, voor Mongoolse begrippen, luxueus winkelcentrum, het SkyMall Shopping Centre. Dat bleek een sof te zijn. Tien winkels en tien minuten later stonden we weer buiten.
We moesten een flink stuk om het hotel heen lopen (voornamelijk omdat het omliggende grasveld behoorlijk glad bleek te zijn). Bij de ingang van het hotel zagen we een stalen constructie met daaraan een soort kroonluchters. Het metaal was in communistisch rood gekleurd, en ook de staat van het metaal zag eruit alsof het uit die tijd kwam.
Toen we binnenkwamen werden we begroet door een metershoge waterval van glitters. Er leek een muur opgetrokken te zijn van de diamantjes die ook aan de kroonluchters buiten bij de ingang hingen. Het moest natuurlijk overkomen als luxe en weelde, maar het oogde nogal kitsch.
Wel zagen we het beste Chinese restaurant van Mongolië, waar we ook de vorige dag al naar op zoek waren gegaan, Mr. Wang.
We besloten daar ’s avonds te gaan eten. We keerden direct terug naar het hotel om even op te frissen. Rond een uur of zes ’s avonds gingen we weer op pad, en staken nogmaals het nog veel gladder geworden stadskanaalbruggetje over.
Het eten bij Mr. Wang was erg goed. De serveerster verstond niets van ons Engels, maar met de interventie van enkele andere serveersters kregen we uiteindelijk twee keer menu vier.
Dat bestond uit veel vis en groente. Tot mijn grote verbazing at ik alle groenten, behalve de champignons. Ik zal ooit nog een artikel wijden aan de smerigheid van champignons, en waarom ik bij mijn eten liever niet de grond proef waaruit het product is gehaald, maar dat is voor een andere keer.
Goed volgegeten en proberend zo weinig mogelijk naar de rekening te kijken liepen we voldaan weer terug naar het hotel.
De volgende dag zouden onze taxichauffeur en zijn begeleider ons om zeven uur ’s ochtends op komen halen. De trein naar Beijing zou om kwart over zeven vertrekken.
Ulaan Baatar was een mooie, interessante en vriendelijke stad gebleken. Maar tegelijkertijd is het er erg vervuild en chaotisch, en is het raadzaam voor u om een mondkapje voor te doen als u er voor langere tijd naartoe gaat.
Maar het is een ervaring die u meegemaakt moet hebben, zonder twijfel.

Trans-Mongolië Express: Ulaan Baatar dag 1


We kwamen ’s ochtends om zes uur aan in Ulaan Baatar. We waren al vroeg wakker geworden en omdat we de vorige avond al onze spullen gepakt hadden, hoefden we alleen nog even een tweede check te doen voordat we de trein konden verlaten.
We namen afscheid van onze Nederlandse kompanen en wensten hen een plezierige bruiloft toe.
We liepen naar buiten en voelden een koude die we nog niet eerder hadden gevoeld. Wederom bevroren de neusharen direct en bij iedere ademhaling bewogen ze op en neer. We werden voorbij gelopen door de Joost en zijn Mongoolse bruid to be. Ze waren haastig op zoek naar onze Nederlandse reisgenoten.

Dit was ons uitzicht vanuit de hotelkamer. Rechts is een gebouw te zien dat wel heel veel wegheeft van het Witte Huis van de Amerikaanse president. Dit was dan ook het White House Hotel.

We werden bij het verlaten van het perron begroet door onze begeleider en taxichauffeur. De taxichauffeur sprak geen Engels, maar de begeleider des te beter.
In bijna vlekkeloos Engels vertelde hij ons wat dingen over Ulaan Baatar. De op een na meest vervuilde hoofdstad van de wereld. Dat zouden we pas later op de dag merken.
Het was nog vroeg in Ulaan Baatar. Bij het ontbijt zouden we merken dat het dagelijkse leven in Ulaan Baatar pas tussen negen en tien uur echt op gang kwam. Ongetwijfeld speelde de koude van de nacht hierbij een belangrijke rol. De nacht voordat we aankwamen was de temperatuur gedaald tot ongeveer -30 graden Celsius.
We werden bij het hotel afgezet, en we waren bereid om op onze blote knieen Onze Lieve Heer te danken voor een douche, een bad en schone sanitaire voorzieningen. Pa was de eerste die onder de douche wilde, maar hij kwam er al snel achter dat er slechts koud water uit de kraan kwam.
Er was ons voor vertrek al verteld dat er hotels zijn in Ulaan Baatar die nooit warm water hebben. Even dachten we aan het ergste.
We probeerden ons toch te wassen door water te koken en dat te mengen met kraanwater. Zo zat ik na een half uur in een plasje lauwwarm water mezelf zo goed als mogelijk was te wassen.
Maar na een dagenlange treinreis waarbij de sanitaire voorzieningen dusdanig achterbleven bij wat we in het Westen gewend zijn, was dit al een behoorlijke vooruitgang.
Ik merkte dat mijn eisen zienderogen waren gedaald.
We waren toch wat vermoeid na onze korte nacht, en we hadden nog enkele uren te gaan voordat het ontbijt(buffet) geopend zou worden. Dus kropen we nog even het bed in om te genieten van twee uren slaap.
En wat waren de bedden toch heerlijk, zeker als je zes nachten op een plank met een dunne matras had geslapen. Ik kon de neiging om uitbundig op het bed te gaan springen maar nauwelijks bedwingen.
Nadat we weer wakker waren geworden nuttigden we het ontbijt, dat ons zeer goed smaakte.
Na het ontbijt was het tijd om de stad in te gaan.
We liepen het hotel uit en we moesten direct beide even halt houden. We werden beide overvallen door een hoestbui die werd veroorzaakt door de smog en het fijnstof in de lucht. Dit zou ons steeds weer overkomen als we een gebouw uitliepen.
Onze begeleider had geen woord te veel gesproken.
Volgens mijn vader had het te maken met de brandstof die voor de auto’s en de bussen werd gebruikt. Brandstof in Nederland bevriest al vrij snel onder het vriespunt. Maar in Mongolië was de temperatuur overdag ongeveer -20 graden Celsius, en bij die temperatuur zou onze brandstof al niet meer dienst doen in de verbrandingsmotor. Maar in Mongolië, zo vermoedde pa, werd de brandstof aangelengd met een andere stof, om zo het vriespunt te verlagen.
En dat stonden we iedere keer vrolijk in te ademen.
Ik ben twee jaar terug al eens in Beijing geweest, wat toch ook een behoorlijk vervuilde stad genoemd kan worden. Maar Ulaan Baatar deed Beijing in het niet vallen. Voor het eerst in mijn leven was ik bereid om met een mondkapje over straat te gaan.
Maar we bikkelden gewoon door, met het postkantoor als eerste bestemming. Daar kochten we enkele ansichtkaarten en pa vulde zijn postzegelverzameling aan met een serie prachtige postzegels. Je kon het zo gek niet bedenken, of de Mongolen hadden het op een postzegel gezet.

Het overheidsgebouw in Ulaan Baatar Aangrenzend lag het grootste plein van de stad.

Daarna besloten we wat rond te lopen. Aan de achterkant van het postkantoor bevond het grote plein met direct daaraan grenzend het indrukwekkende overheidsgebouw.
Overal waar we keken zagen we standbeelden van Djenghis Khan, de man die ervoor zorgde dat Mongolië, naast de yak en de Przewalski-paarden, nog enige bekendheid genoot.
Op straat klonk er een kakofonie aan geluid. Auto’s toeterden continu. Eerst dachten we nog dat de Mongolen maar een asociaal volkje waren, dat geen respect had voor elkander. Maar al snel werd duidelijk wat de oorzaak was van het getoeter.
Zelfs als voetgangers groen licht hadden voor het oversteken waren er auto’s die ook groen hadden en de voetgangers moesten passeren. Het getoeter bleek een almaar aanhoudende stroom waarschuwingen. Er waren nog genoeg voetgangers die toch maar op de lichten bleven wachten, maar er waren veel meer Mongolen die maar gewoon lukraak overstaken. Omdat ze toch geen heil zagen in de verkeerslichten.

Standbeeld van Djenghis Khan, voor het overheidsgebouw.

Een ander fenomeen dat het straatbeeld beheerste, waren de, voornamelijk mannelijke, Mongolen die om de haverklap een groene rochel uitspuugden, na eerst eens flink de neus te hebben opgehaald. Toen we een halve dag de smog en het fijnstof hadden ingeademd, droegen ook wij ons steentje bij aan de met groene klodders bezaaide straatstenen.
We bezochten een winkelcentrum, maar pas nadat we hulp kregen van een meisje dat ons zag staan met de wegenkaart in onze handen.
“Hi, can I help you?”, vroeg ze.
“Yes, we would like to go to a good shopping mall.”
“Oh no, problem. I live close to a state departement store. So please follow me.”
We praatten over de stad, over haar studie en haar werk, en of ze ook koud water had ’s avonds en ’s ochtends.
Dat had ze niet.
Voor de Mongoolse burgers werd gelukkig wel goed gezorgd.
We liepen de hele dag rond, op straat tussen de vele kuilen en gaten laverend. De meeste kuilen waren afgezet, maar het kon zomaar gebeuren dat je als onoplettende toerist zomaar een gat van twee meter diep inviel.

Een bewijs dat Coca Cola werkelijk in alle uithoeken van de wereld te vinden. Ter vergelijking: er is geen McDonalds in Ulaan Baatar.

’s Avonds aten we bij een leeg Japans restaurant. Het eten was heerlijk, de entourage iets minder. Pa besloot daarna nog een massage te laten doen, en ik ging terug naar het hotel.
Ik haalde in de hotelkamer mijn ansichtkaarten en liep terug naar beneden om ze te gaan schrijven. Terwijl ik beneden in de bank zat, besefte ik dat ik geen pen bij me had. Ik liep terug naar de hotelkamer.
Al in de lift naar boven realiseerde ik me dat ik mijn telefoon niet meer bij me had. Ik let altijd zo goed op mijn spullen, dat ik zoiets direct merk. Een lichte paniek maakte zich van mij meester.
Later zou ik beseffen dat ik veel te veel waarde hechtte aan zaken als een telefoon, want het voelde voor me alsof ik mijn portemonnee of huissleutels verloren was.
Ik liep terug naar de hotellobby, zocht alles af, maar kon geen telefoon vinden. Ik vroeg het hotelpersoneel om informatie en ze namen me mee naar de achterkant van het hotel. In een kleine ruimte zaten drie bewakers meer dan veertig camerabeelden te bekijken.
Ik kwam op een groot televisiescherm in beeld, en zo keken we al mijn bewegingen en stappen terug. Helaas was het niet zichtbaar hoe ik mijn telefoon verloor (hoogstwaarschijnlijk simpelweg uit mijn broekzak gevallen) en of iemand die had meegenomen.
Zodoende sloot ik de dag toch met een rotgevoel af, al bedacht ik me de volgende dag dat het enige dat ik echt zou missen de foto’s waren die ik vandaag had gemaakt.