Op weg naar Opole: Kerkbezoek


Gisteren werd mij door Danusia gevraagd of ik vandaag mee wilde naar de kerk. Ik ben in een ver verleden al enkele malen met mijn opa en oma geweest, en die diensten hadden op mij, op twee dingen na, weinig indruk gemaakt. Het eerste waar ik wel plezier mee had, was het kastje dat achter de pastoor aan de muur hing. Op een gegeven moment in de dienst draaide de voorganger zich om, en haalde hij uit het kastje de hosties. Waarop ik terstond aan mijn oma vroeg: “Heeft de pastoor ook een magnetron oma?”

Het andere moment dat ik me tot op de dag van vandaag kan herinneren, heeft betrekking op mijn broer. We liepen de kerk in en gingen op een van de bankjes zitten. Mijn broer keek rond en zijn blik bleef plots op een tekening van Jezus gevestigd. “Kijk oma”, riep hij, “Ruud Gullit hangt in de kerk!”.

Jezus is GEEN Ruud Gullit, zo bijkt

Nu zult u denken: Maar Dennis, u komt uit een grotendeels ongelovig land (of op zijn minst een land waar het geloof persoonlijk wordt beleden), en de vorige keren dat u naar de kerk bent geweest hebben de diensten nauwelijks indruk op u gemaakt. Waarom zou u nu wel gaan dan?

Klopt, u heeft punt. De tweede keer dat ik met mijn opa en oma meeging, viel het me op dat er slechts weinig mensen aanwezig waren, waardoor ik me niet bezwaard voelde halverwege de dienst te gaan slapen. Maar in Polen wordt religie totaal anders beleefd. Zelfs de mensen die de vreselijkste dingen uithalen – vrouwen slaan, alcoholmisbruik, moedwillige werkeloosheid – staan in Polen op zondag in de kerk.

Ik wilde tenminste een keer meemaken hoe een kerkdienst zou zijn. En dus vertrokken we vanochtend om kwart voor elf naar de kerk. De dienst begon om elf uur.

Een kerk in Wroclaw (spreek uit: Vrotswaf), niet in Opole

Het was opvallend druk, toen Danusia de auto parkeerde op het gazon van de pastoor (“Dat krijg ik deze week nog wel te horen!”). Rondom de kerk stonden tientallen mensen. Ook op de straat liepen nog eens tientallen kerkbezoekers. Allen waren gekleed in driedelige pakken (de mannen) of in lange jurken (de vrouwen). De kinderen waren zo goed als mogelijk gekleed naar voorbeeld van hun ouders, afhankelijk van hun geslacht.

Ik had veel bekijks. Zowel voor en tijdens als na de dienst. In deze kleine gemeenschap, het dorp kent niet meer dan 800 inwoners, kent iedereen iedereen. En opeens stond daar een man tussen, met een lichte baard en een ietwat donkerdere huid dan de gemiddelde Pool. Volgens Iwi dachten de meeste bezoekers dat ik iets van een terrorist was. Zeker voor de oudere mensen leek dat zo te zijn, want ik werd de hele dienst door enkele omaatjes boos aangekeken. Dat gold trouwens niet voor de jongere dames, die me vooral met nieuwsgierigheid en verhoogde interesse bekeken.

Bij het naar binnen lopen, maakte iedereen een knieval. We liepen na binnenkomst meteen naar links, om daar in een nis te gaan staan. Zo kon Danusia de dienst volgen, en kon ik enigszins afgezonderd mijn indrukken opdoen. Iedereen had een zwarte bijbel bij zich. Toen de dienst startte kwam er een stoet van kinderen met vlaggen en vaandels voorbij. Boven op het balkon, tegenover het altaar, stond een blaaskapel hymnes te spelen.

De teksten kon ik niet mee zingen; ik ken ze niet eens in het Nederlands. Maar ik paste me razendsnel aan aan het knielen, het buigen en het vele kruisjes slaan. Een kruisje op m’n voorhoofd, op m’n kin en eentje op m’n hart. Ik deed, zoals mij vooraf gevraagd werd, vijf zlotich (spreek uit zwotieg) in het geldmandje. Ik pikte direct de vrouw eruit die deed alsof ze geld in het mandje deed. Ik gaf haar, als herboren en devoot katholiek, een vuile blik. Waarop zij direct knielde en begon te bidden.

Na de dienst, die ongeveer een uur duurde, liepen we ter ere van de feestdag van engel Michael, een rondje om de kerk. Tijdens deze processie stond de andere helft van het dorp die niet in de kerk pasten, buiten in een cirkel om het gebedsgebouw. Tijdens dit rondje besefte ik pas wat voor vreemde eend in de bijt ik werkelijk was. Want letterlijk iedereen keek me aan; sommige zelfs met open mond en opengesperde ogen.

Vanwege de feestdag van de engel Michael stonden er buiten allerlei kraampjes met voornamelijk snoep en chocolade. Maar ook stonden er twee kraampjes met speelgoed, zover je pistolen, geweren, laserschieters en licht vuurwerk speelgoed kunt noemen.

Niemand kon me uitleggen waarom ze juist dat verkochten, naast het snoep en de chocolade. Maar het is een truc die gebruikt wordt om kinderen te belonen als ze een uur stil in de kerk hebben gezeten. Met snoep lukt dat aardig, maar blijkbaar werken nepwapens en licht vuurwerk ook goed.

We kochten een groene en rode tijgerlolly. En vier grote lolly’s in de vorm van een hart, met daarop Kocham Cie geschreven, Ik Houd Van Jou. We kochten verder twee zakken met snoepgoed en chocolade. Eentje voor Iwi, en eentje voor oma.

Kocham Cie lizak = Ik Houd Van Jou lolly

Ik gaf een Kocham Cie lolly aan oma, die spontaan rood werd. De rest van de dag praatte ze bovenmatig veel met me, nog meer dan ze in alle dagen dat we de vorige keer samen waren had gedaan. Haar Duits is perfect, ook al heeft ze het jaren niet meer gesproken. Een verademing vergeleken met haar bijna onverstaanbare Pools.

Ik gaf een rode tijgerlolly aan Anna (spreek uit Anja), de vriendin van Adam. De laatste keer dat ik haar zag ontmoette ik tevens  haar moeder, die aan het feestje van Adam op zijn studentenkamer toen abrupt een einde maakte. De moeder vertelde me toen in het Engels dat zij een lerares Engels op een middelbare school was. Ik moest telkens Iwi vragen wat ze nu precies zei.

Ik grapte tegen Anna dat ik hoopte dat deze ontmoeting beter zou aflopen. Dat moest haast wel, lachte zij.

Totdat ze terug moest naar Adams kamer, omdat haar telefoon ging.

Het bleek haar moeder te zijn, die wilde weten of alles goed was.