Het meisje bij de ingang of; de waanzin van de liefde


Eerst zijn linkerbeen, daarna pas zwaaide hij zijn rechterbeen uit bed. Zeven stappen brachten hem in de badkamer van zijn appartement. Daar poetste hij zijn tanden. Hij had zijn gebit in vieren gedeeld, om zo het overzicht tijdens het poetsen te bewaren. Hij poetste eerste 37 keer zijn voortanden. Daarna poetste hij 34 keer zijn ondergebit en 34 keer zijn bovengebit. Tot slot poetste hij met de borstel overdwars 36 keer tussen iedere tandencombinatie.

Hij begon te douchen als het journaal van zes uur ’s ochtends op de radio in de douche begon. Het douchen duurde nooit langer dan vijf minuten, wat doorgaans betekende dat hij het journaal nog kon afluisteren eer hij klaar was. Hij had speciale shampoo voor zijn haren, een facial lotion voor zijn gezicht, bodywash voor zijn oksels en schaamstreek en een scrubgel voor zijn voeten.

Het afdrogen van zijn lichaam mocht alleen met een donkere handdoek (donkerblauw, zwart) en dat begon bij zijn borstkas. Dan deed hij zijn armen, zijn hoofd en zakte via zijn rug naar zijn benen.

Zeven stappen terug naar de slaapkamer, waar zijn kleding al lag te wachten. Die legde hij iedere avond klaar voordat hij ging slapen.

Vijftien stappen naar de keuken, waar hij eerst het brood in de toaster deed. Daarna ging het knopje van het koffiezetapparaat om. Alles was de avond van tevoren al klaar gezet.

Hij sloeg de avondkrant van gisteren open en las het eerste bericht. Daarna stond hij op, pakte een wit bord uit de kast en zette deze naast de toaster op het aanrecht. Vrijwel direct sprong de toast uit de toaster. Een grote plak kaas vouwde hij nauwgezet door midden, zodat iedere toast met een even grote plak kaas bedekt werd.

Hij liep acht stappen naar de badkamer en ging op het toilet zitten. Hij deed zijn behoefte, maar niet langer dan de tijd die het hem kostte om de sportpagina’s gelezen te hebben. Hij veegde zijn anus af, stond op en schoof zijn onderbroek omhoog. Vervolgens deed hij zijn overhemd strak omlaag en hield deze zo toen hij zijn pantalon omhoog deed. Hij stopte het shirt strak in zijn broek en gespte de riem zo strak mogelijk om zijn buik.

Het waren 20 treden om in het voorportaal van zijn flat te komen. Vanaf de deur naar buiten waren het 56 stappen naar zijn auto. Bij de auto aangekomen zette hij eerst zijn werktas op de bijrijdersstoel om vervolgens zelf in te stappen. Hij draaide zijn lampen aan, zette de koppeling in zijn vrij, startte de auto en schakelde vervolgens naar de eerste versnelling terwijl hij de rem ingedrukt hield. Hij keek drie keer naar links, drie keer naar rechts en twee keer in zijn achteruitkijkspiegel.

Hij drukte het gas zachtjes in en ging op weg naar zijn werk.

Zo beleefde hij iedere dag. Hij wist exact hoeveel stappen iedere afstand bedroeg die hij op een dag aflegde. Hij wist het aantal rotaties van handen of objecten, hij wist zijn toetsaanslagen per minuut, hij kende de bewegingen en gespreksonderwerpen van zijn collega’s.

Hij kenden alle medewerkers van de winkel waar hij langs ging voor werk uit zijn hoofd. Hij wist hoeveel seconden het kostte voor de schuifdeuren volledig open waren, en hoeveel seconden het duurde voordat ze weer gesloten waren. Hij wist de bewegingssnelheid van de poortjes bij de ingang.

Hij telde bij binnenkomst altijd de bakjes met druiven en aardbeien. Deze werden vaak tegelijk door de winkeleigenaar in de aanbieding gedaan. Hij kon direct zien hoeveel bakjes er nog stonden, en dus ook hoeveel er al verkocht waren. Hij kende alle dunne en dikke streepjes van de barcode van de fles water die hij iedere ochtend kocht.

Hij hield van regelmaat.

Hij draaide de parkeerplaats op en wist binnen enkele seconden hoeveel vrije parkeerplaatsen er nog waren. Daar kon hij uit afleiden hoe druk het in de winkel was, en hij vroeg zich oprecht af of de winkeleigenaar vandaag zijn omzettarget wel zou halen.

Hij parkeerde zijn auto en deed exact in omgekeerde volgorde de handelingen die hij deed als hij in de auto stapte. Hij keek over de auto heen en zag bij de ingang een meisje staan.

Als door een bij gestoken vloog hij terug de auto in. Hij kreeg het benauwd. Dat meisje stond er nooit, zei hij tegen zichzelf terwijl hij zijn vochtige handpalmen afveegde aan zijn broek.

Het meisje had, zo had hij gezien, vier kledingstukken aan. Een opvallend rode broek, een vuil, olijfgroen t-shirt, een wollen muts en sandalen waarin zij geen sokken droeg.

Wie was zij? Wat deed ze daar? Waarom stond ze uitgerekend, van alle winkels die er in Nederland te vinden zijn, hier?

Hij werd nerveus.

Zijn drang om vast te houden aan zijn ritme, joeg hem de auto uit. Hij voelde zweetdruppeltjes van zijn voorhoofd glijden. Hij moest en zou die fles water halen, al was het het laatste wat hij deed. Hij telde, ter geruststelling, de dikke en dunne streepjes van de barcode van het water.

Hij voelde zijn hartslag weer rustiger worden.

Met zijn ogen gericht op de grond schuifelde hij over de parkeerplaats. Dit was makkelijker dan het leek, omdat naast alle parkeervakken een gele markering op de vloer was aangebracht, als een soortement van zebrapad. Hier konden klanten veilig overheen lopen als zij terug gingen naar hun auto.

De gele markering hield op.

Hij hield even in, probeerde een zo groot mogelijk teug adem te nemen, hoewel dat tegenviel met zijn kin op de borst. Hij richtte zijn hoofd op en keek naar de ingang.

Het meisje keek hem breed glimlachend aan. Haar zwarte haren vormden een natuurlijke omlijsting van haar gezicht. Haar neus leek gebeeldhouwd te zijn door ingewijden van Cleopatra, zo ongelooflijk recht en perfect was de brug. Hoe meer hij haar in zich opnam, hoe meer hij zich verbaasde over haar perfecte gezicht. Ze was wonderschoon.

Hij bekeek haar kaaklijn, hij nam de lijnen van haar gezicht in hem op. Hij zag dat haar gezicht nagenoeg symmetrisch was. Hij had nog nooit zo’n schepsel gezien.

Hij wilde haar aanspreken, maar hij durfde niet goed. Ze lachte nog altijd uitnodigend en dat bracht hem er toe een voet dichterbij haar te zetten. Nu ja, dichterbij haar. Meer een voet in haar richting.

Hij voelde zich ongelooflijk dom. Hij stond naar haar te kijken, al haar kenmerken in zich op te nemen. Maar hij zocht geen toenadering.

De tijd leek stil te staan. Alsof de tijd niet eens meer bestond. Hij keek nog eens op en zag dat zij, ietwat verlegen door zijn timide houding, voorzichtig naar hem zwaaide.

“Goedemorgen”, zei ze. “Hoe gaat het met je?”

“Mja, wewegoe.” Die zin klonk in zijn hoofd perfect: Nou ja, wel goed. Maar het kwam eruit alsof iemand zojuist zijn tong had uitgesneden.

“Goed?” opperde zij begripvol.

“Mja.”

Zij raakten in gesprek. Gedurende het gesprek raakte hij nog meer gefascineerd door haar. Hij had vrouwen altijd gemeden, maar nu hij zo met haar stond te praten, had hij geen idee waarom hij dat ooit had gedaan. Deze vrouw bleek leuker dan alle mannelijke gesprekspartners die hij had meegemaakt.

Dit was een openbaring.

Haar stem was zuiver. Ze had niet veel volume in haar stem, maar wat ze zei had een verborgen kracht die hem met ieder woord raakte. Haar ogen waren bruin, maar hij leek telkens nieuwe kleuren te ontdekken. Hij kon geen goede inschatting maken van haar.

Ze legde uit dat ze hier stond omdat ze niets meer had. Ze was alles kwijtgeraakt in haar leven. Haar huis, haar vriend, haar ongeboren kind, haar werk, haar geld, haar eigenwaarde.

Hij voelde intens met haar mee. Voor alles wat zij was kwijtgeraakt, wilde hij een traan plengen.

Aan het einde van het gesprek wist hij niet goed wat te doen. Of eigenlijk, hij wist precies wat te doen, maar hij had geen flauw idee of dat ook het goede zou zijn om te doen.

Hij zocht zijn portemonnee en gaf het meisje vijftig euro.

“Hier”, zei hij, “koop er warme kleding en wat eten van. Ik wil niet dat je verhongert, of denkt dat het leven zo slecht is dat je er een eind aan wil maken. Dat moet je niet doen. Niet doen, hoor.”

Het meisje nam weifelend het geld aan. Ze lachte voorzichtig, terwijl ze naar het briefje keek alsof het een voor haar volkomen nieuwe geldsoort was.

“Je moet me nog iets beloven”, zei hij haastig toen hij aanstalten maakte om de winkel in te gaan. “Je moet er geen drugs van kopen.”

“Haha, wees maar niet bang. Ik kan slecht tegen drugs, en ik heb een fobie voor naalden. Dat zit wel goed dus.”

Hij draaide zich om en liep de winkel in. Toen hij weer naar buiten kwam, was het meisje verdwenen.

Die dag telde hij niets meer op het werk. Hij bestudeerde mensen niet langer, hij telde niet de seconden die de lift erover deed om hem naar de bovenste verdieping te brengen. Hij telde geen stappen meer. Hij zat opgesloten in zijn gedachten, meer nog dan hij ooit tevoren was geweest.

Die avond telde hij niets. Hij poetste zijn tanden niet, hij waste zich niet. Hij liet zich met zijn kleding aan het bed in glijden. Hij staarde die nacht naar het plafond, alsof daar antwoorden verscholen waren.

Hij stapte ’s ochtends vroeg het bed uit met beide benen tegelijk. Hij had niet naar de tijd gekeken, maar zijn uitstekend geïnstrueerde biologische klok vertelde hem onbewust hoe laat het was. Hij hoefde zijn kleren niet aan te trekken, omdat hij die nog droeg.

Hij douchte niet, hij waste zich niet, hij poetste zijn tanden niet. Die ochtend bleven toaster en koffiezetapparaat onaangeraakt.

Hij reed naar de winkel en parkeerde op gepaste afstand van de ingang. Hij keek.

Geen meisje.

Hij keek woest om zich heen. Misschien had hij haar gemist toen hij hier naar toe reed. Maar er was niemand te bekennen. Op de vijf auto’s na die geparkeerd stonden en op een verdwaald winkelwagentje na was er niets te zien. De winkelingang nodigde hem uit om naar binnen te gaan.

Hij voelde een diepe droefenis opwellen in zichzelf. Hij voelde hoe deze droefenis direct door zijn lichaam werd omgezet in tranen. Hij zat onbedaarlijk te huilen in de auto. Tussen de lange halen door keek hij weer naar de ingang.

Geen meisje.

Vanaf dat moment zou zijn leven anders zijn. Hij stapte de auto uit, smeet de autosleutels in een prullenbak en ging naast de winkelingang tegen de muur zitten. Het was koud, die nacht had het gevroren.

Hij zou hier wachten. Zij zou vanzelf weer komen, dat kon niet anders. Hij zou hier wachten, tot zij weer zou verschijnen. Hij zou hier geduldig wachten.

Nu was er misschien geen meisje, maar ze zou vanzelf komen.

De derde dag dat hij er zat, hij was zijn gedachten al bijna kwijtgeraakt, parkeerde er ’s ochtends een auto. Uit de auto stapte een meisje. Ze had vijf kledingstukken aan. Haar gezicht was mooi, verzorgd. Ze had hem direct gezien en wierp hem vanuit de verte al een glimlach toe.

Ze had een andere haarkleur, ze had andere schoenen en andere kleding aan. Maar ze was teruggekomen. Het meisje bij de ingang.

Hij telde gelukzalig alle 24 stappen die ze zette op weg naar hem.

Advertenties

De rivier en de steen


Ze stonden naast elkaar aan de oever van de rivier. Het water stroomde nauwelijks merkbaar langs hen. Hij, die zijn korte broek had bevuild tijdens het uitsloven bij het badminton dat ze hadden gespeeld, keek haar zijlings aan. Zij had zich gedragen als een meisje en had de shuttle bij iedere slag amper kracht meegegeven. Zij had hem gedwongen vies te worden, dacht hij almaar.

Het water maakte geen geluid en dat deden de twee adolescenten ook niet. Hij zocht de grond af naar steentjes die hij in het water kon gooien. Er lagen haast geen steentjes op de grond, en al helemaal niet stenen die hij zou kunnen kaatsen op het wateroppervlak. Rechts van hem lag een grote steen die al lange tijd zijn aandacht had getrokken.

Zij keek meer omhoog. Ze was bevangen door de intens blauwe kleur van de lucht, die nog werd aangezet door het donkerte dat over de horizon heen deze kan op kwam gekropen. De invallende nacht maakte de avondkleuren dieper. Malicieuzer, vond hij. Maar dat zag zij niet.

Zij dag dieren die beschutting zochten voor de verraderlijke nacht. Zij zag kleuren verminderen. Zij zag het donkerte toenemen.

“Ik mag hier eigenlijk niet meer zijn”, zei ze zachtjes, waarbij ze haar hoofd onmerkbaar naar hem toe boog. “Maar mijn mama vertrouwt jou, zegt dat je nooit kattenkwaad uithaalt. Daarom ben ik hier nog.”

Hij keek haar steels aan en richtte zijn blik weer op de grond. Hij had meisjes altijd al mysterieus en onbereikbaar gevonden. Liefde uiten kon hij niet. Ook nu niet, hoewel een stevige aandrang voelde om aan haar zijn gevoelens kenbaar te maken.

Hij liet het, zoals zo vaak, na.

Zij probeerde het gesprek op gang te houden. Badmintonnen kon ze niet, tenminste niet op het niveau dat vereist is als je speelt voor de overwinning. Ze kon alleen badmintonnen voor het plezier. Zijn plezier was het winnen.

“Hoe lang kun jij je adem in houden?”, vroeg ze.

“Zeker wel een minuut. Maar ik oefen altijd in de badkuip. In een oceaan, een zee of rivier is het weer heel anders.”

“Hoezo dan?”

“Nou, dan zijn er allerlei zaken waar je rekening mee moet houden. De stroming, de warmte of koude van het water, de dieren er zwemmen. Stel dat je je adem inhoudt in de zee en een kwal plakt plots aan je been. De gevolgen kunnen desastreus zijn.”

Zij hield haar mond en staarde weer omhoog.

Hij dacht aan een kwal, en daarna dacht hij aan haar.

“Wat vind je eigenlijk van mij?” De stilte werd doorbroken door de vraag die eigenlijk bij eenieder op de lippen lag, maar niet gesteld werd. Zij nam het initiatief, en dat vond hij helemaal niet erg.

“Ik vind jou leuk.” Beter dan dit leek hij zijn gevoelens niet te kunnen omschrijven. Dat was niet zozeer dat hij het niet beter kon, nee, het leek of zijn gedachten geen enkele andere zin konden aandragen dan die. Hij vond het voldoende.

Zij niet.

“Waarom dan? Als je me vertelt waarom je me leuk vindt, dan vertel ik jou wat ik van jou vind.”

Hij aarzelde.

“Nou, je bent heel lief. Je luistert naar mijn verhalen. Ik vind het interessant om naar de jouwe te luisteren. Je bent erg knap. En je bent slim.”

Hij had dit ooit in een film gehoord, dat kon haast niet anders. Zijn gedachten leken voorgeprogrammeerd. Hij hoopte dat het meisje haar mond zou houden en niet langer zou doorvragen. Hij had een hekel aan mensen die te veel vragen stelden.

“Dank je wel. Dat is lief.”

Ze zweeg weer. Het donkerte was volledig over de horizon geklommen, en schoot met schrikbarende snelheid dichterbij.

Hij voelde echter iets anders. Hij voelde, ja wat voelde hij eigenlijk? Een aanvulling op zijn wezen, beter dan dat kon hij het niet omschrijven. Er werd iets aangevuld. Hij keek weer naar de steen op de grond. Deze leek hem groter voor te komen dan in het licht van de zon.

Zij maakte aanstalten om te gaan. Ze draaide zich om, pakte haar tasje en kwam weer naast hem staan.

“Zullen we gaan? Ik heb het wel gehad hier. Het wordt donker en het is al aardig koud aan het worden.”

Hij, echter, maakte geen enkele beweging. Hij moest zich concentreren om te merken dat hij nog ademde. Hij voelde iets groeien in hem. Iets dat er altijd al had gezeten, maar dat nooit een uitweg had gevonden. Hij kon het niet aanwijzen, niet benoemen, maar het was immer aanwezig.

En nu, sterker dan ooit.

Zij wachtte niet langer op een antwoord en draaide zich om. Ze zette twee stappen richting de grote weg die al die tijd geduldig op hen wachtend achter hen had gelegen.

Hij prevelde: “Ik vind jou leuk”.

Inmiddels was het donker helemaal ingezet. Nergens aan de hemel was nog een greintje blauw te bespeuren. Hij kon nauwelijks nog voorwerpen om hem heen gewaar worden. De boom, waartegen ze twee uur gelegen nog samen hadden gezeten, was opgeslokt in het zwart. Af en toe zag hij een vliegje oplichten, als deze dichtbij genoeg bij zijn ogen kwam.

De rivier lag stil en onzichtbaar voor hem.

Hij stond ruim twee uur op dezelfde plek. Hij wilde er zeker van zijn dat de rivier weer leeg was. Deze was nooit leeg, dat wist hij ook wel, maar hij wist wat hij bedoelde. Zij moest weg zijn.

Hij wachtte nog een half uur en draaide zich toen om.

“Ik vind jou leuk”, fluisterde hij, en liet de rood besmeurde steen uit zijn hand vallen.

Ooit komt de morgen niet meer


Dit kort verhaal is een ruwe versie. Het is in één keer geschreven, zonder dat de auteur daarna de tekst heeft herschreven.

Was het maar al morgen.
Het zwart lost langzaam op. Het licht behoudt al haar kleuren nog, alleen het felle komt door. Zijn oogleden vertekenen het licht dat hij in zich opneemt; een roze waas vertroebelt zijn zicht. Ewald opent langzaam zijn ogen en richt zich op. Gesteund op zijn ellebogen neemt hij de kamer in zich op. Alles staat er nog. De kaptafel die hij heeft ingericht met allerlei geurtjes, zalfjes, poedertjes en pillen die hij in de badkamer niet meer kwijt kon, maar die te belangrijk waren om ze achteloos in de kast te gooien.
Links van hem staat de eikenhouten kledingkast. Hij heeft die, jaren terug alweer toen hij nog wist hoe hij met gereedschap om moest gaan, eigenhandig gebouwd. Het kostte hem een dag hard werken en vele verloren zweetdruppels. Maar daar gaat het nu niet om. De kledingkast staat er, en dat is alle bevestiging die hij zoekt.
Aan de andere kant van zijn bed staat de rieten stoel waarover hij iedere avond zijn kleding drapeert. Hij gelooft er niet in om kleding iedere dag te wassen. Zelfs om de dag wassen was volstrekt zinloos. Kleding kon makkelijk een dag of drie gedragen worden. Ewald is geen sporter, Ewald is een dromer. En dromers kunnen hun kleren veel langer goed houden.
Alles staat er. De bevestiging vindt een plaatsje in zijn gedachten, en hij moet zowaar moeite doen om zijn benen uit bed te krijgen. Daar zit hij dan. Een verloren zestiger met een saai leven achter de rug. Hij kan zich geen droom of doel herinneren dat hij heeft nageleefd, én heeft behaald. Maar dat weet hij al jaren.
Hij heeft nauwelijks geheimen voor zichzelf. Niet meer, dat is.

Een kwartier later staat Ewald voor de spiegel in de badkamer. Hij veegt wat grijze haren weg van zijn voorhoofd. Hij bekijkt zichzelf eens goed. Hij ziet rimpels, diepe groeven, levenslijnen. Het maakt hem niet onaantrekkelijk. Sterker nog, de jaren hebben zijn gelaat gesierd met een elegante veroudering. Hij durft zich niet met Sean Connery te vergelijken, maar hij ziet de overeenkomsten. Hij ziet ze helder. Mensen zeggen hem de laatste vaker dat hij zich dingen verbeeld, dat hij de waarheid in zijn eigen gedachten een draai geeft en daar vervolgens mee aan de haal gaat. Maar hij gaat helemaal nergens mee aan de haal. En zeker niet met waanideeën. Als mensen je niet begrijpen, zien ze je al snel als een gek.

Hij verlaat de badkamer en kleedt zich aan in de slaapkamer. De zon is inmiddels opgeklommen tot boven de raamsponning en vult de slaapkamer met warme stralen. De warmte kietelt en streelt zijn huid en hij voelt zich wat lomer worden.
Hij zoekt naar de sok die hij zojuist in zijn hand had. Waar is die toch gebleven? Hij draait een half rondje terwijl hij de grond bekijkt. Op het witte tapijt moet een zwarte sok zo gevonden zijn. Hij kijkt naar het bed. Het ziet er opgemaakt en verzorgd uit. Alsof hij niet twintig minuten geleden wakker was geworden. Het bed was eerst nog niet opgemaakt. En ik heb dat niet gedaan. Hij verdwaalt in gedachten.
Heel vreemd dit, bedenkt hij zich wanneer hij weer een uitweg uit de onwrikbare stroom van gedachten heeft gevonden. Eerst raak ik mijn sok kwijt, dan is het bed plots opgemaakt. Ze zal toch niet, spookt er heel even door zijn gedachten.
Hij raakt plots in paniek. Wat als, en veel soortgelijke mijmeringen. Hij schiet zijn broek aan, pakt de dikke trui van de stoel en trekt deze aan terwijl hij naar de woonkamer loopt. Zijn zorgen nemen met iedere stap toe.

In de woonkamer is het leeg. Het ziet er ook hier opgeruimd uit. Het ruikt er zelfs fris. Ze is zichzelf weer volledig kwijtgeraakt, en God weet wat ze nu aan het doen is. Hij had eergisteren de messen nog moeten verstoppen, omdat hij meende dat zij er mee vandoor wilde gaan. Ze mag zichzelf niet verwonden, of erger nog.
Als hij de keuken inloopt ziet hij haar staan. Ze heeft de radio aanstaan en ze zingt mee met een liedje dat hem niet bekend voorkomt. Steeds minder muziek komt hem bekend voor, maar dat kan ook te maken hebben met zijn aflatende interesse voor (pop)muziek. Hij heeft soms het gevoel dat hij in een bepaalde tijd is blijven hangen, wanneer dat is gebeurd weet hij niet, en dat hij er niet meer uit kan komen. Zoals er mensen zijn die gevangen zitten in hun lichaam, zo zit hij gevangen in een tijd. Hij weet alleen niet welke.

“Wat ben je aan het doen?”, vraagt hij enigszins achterdochtig. Ze lacht breeduit naar hem, maar hij ziet ook de vermoeidheid. Alsof ze zojuist eigenhandig een huis heeft gebouwd. Ze is blij met hoe het eruit ziet, maar het heeft haar behoorlijk uitgeput.
“Ik ben je ontbijt aan het klaarmaken. Ik hoop dat je honger hebt.”
“Ach ja, een beetje. Wat ben je aan het klaarmaken?” Hij vreest nog steeds voor de messen. Hij kijkt de keuken rond, maar ziet nergens het messenblok. Wellicht heeft hij het toch beter verstopt voor haar dan hij dacht.
“Ik ben de restjes van gisterenavond aan het prakken. En als je het goed vindt serveer ik er gebakken eieren bij.”
Prakken, dat is goed. Dat is met een vork. De messen zijn onopgemerkt gebleven.
Hij schuifelt weer terug naar de woonkamer en gaat in zijn automatisch verstelbare ligstoel zitten. Hij schuift het voetenbankje naderbij en plant zijn voeten erop. Hij kijkt naar zijn sloffen, en ziet dat hij toch de sokken draagt. Dus toch. Vreemd.
Hij pakt de krant uit de krantenbak die naast zijn stoel staat en slaat de krant open. Allerlei nieuws van over de hele wereld schreeuwt hem tegemoet, zonder dat hij zich ergens op kan concentreren. Wellicht is hij in gedachten bij zijn vrouw. Sinds een jaar of twee vertoont ze tekenen van verwardheid. Ze raakt dingen kwijt, ze vergeet steeds meer en hij moet haar in toenemende mate in de gaten houden. Ze is al een paar keer weggelopen. Hij betrapt zich erop dat hij steeds vaker nadenkt over een verzorgingstehuis voor haar. Hij wil het niet, maar zij dwingt hem welhaast.
Hij bladert wat door de krant. Dan valt zijn oog op een bericht.
“Schat, heb je het al gehoord? Ik zie het hier net in de krant staan. Je gelooft dit nooit!”
Waarom hij zo enthousiast is weet hij zelf ook niet goed. Misschien omdat de letters niet meer voor zijn ogen dansen. Wellicht omdat het bericht hem helder voorkomt, alsof er orde is in de chaos.
“Vertel, lief!”, hoort hij vanuit de keuken.
“Je raadt nooit wie er is overleden!”, kaatst hij terug, terwijl hij het bericht nog eens overleest. Iets komt hem bekend voor, maar hij kan het niet duiden.
“Ik weet het niet, lief! Wie?”
“Nee nee, je moet wel raden. Juist omdat ik denk dat je dit nooit zal raden.”
Het blijft even stil in de keuken. Hij leest daarin een groeiende onmacht, een sterker wordende afkeer. Maar waarom weet hij niet, en hij negeert het.
“Nou? Komaan, ik ben benieuwd of je het weet.”
Ze verschijnt vanuit de keuken met een bord in de handen. Hij slaat zijn krant dicht, vouwt deze keurig op en legt die terug in de krantenbak.
Ze zet het bord voor hem neer en kijkt hem even aan. Hij ziet iets in haar blik, er is iets dat hem bijna melancholisch stemt. Ze kijkt hem vertederd aan, maar haar blik verraadt een wrange nasmaak.
Hij slikt even.
Zij aait hem zachtjes over zijn hoofd.
“Nou?”, zegt hij, al een stuk zachter. Ver weg in de krochten van zijn gedachten galmt er iets. Hij negeert het.
“Michael Jackson, lief.” Ze loopt weer naar de keuken.
Hij staart stil voor zich uit. Iets komt hem bekend voor, maar het wil maar niet dagen. Hij schuift het voetenbankje aan de kant en begint met de plastic lepel die ze voor hem heeft klaargelegd te eten.
Hij hoort vanuit de keuken dat ze weer zachtjes zingt. Aan de hand van de klanken van de muziek denkt hij een liefdeliedje te ontwaren. Hij neemt de eerste hap en terwijl hij peinzend kauwt denkt hij: Het is goed dat ik de messen voor haar heb verstopt. Ze moet wat extra moeite doen voor mijn eten, omdat we geen ander bestek meer hebben dan lepels, maar dat is het beste voor haar. Ze gaat snel achteruit.

Vanuit de keuken hoort hij haar zingen: “Ooit komt de morgen niet meer.” Het “Ook voor jou mijn lief” hoort hij niet meer. Dat verdwijnt in het geklik van het slot op de keukenkast en het geklater van het messenblok dat zij daaruit tevoorschijn haalt.

© 2012, Dennis Boots
Niets van dit korte verhaal mag gekopieerd of gebruikt voor wat voor doeleinde dan ook zonder dat de schrijver van het stuk daarvoor uitdrukkelijke toestemming heeft gegeven. Misbruik hiervan zal direct worden gemeld.